NIEUWE KERK CONCERTEN HAARLEM
  • OVER ONS
  • SEIZOEN 2026/2027
  • DONATIES
  • ARCHIEF
​Archief: 2026-2019
Picture
Picture
Lente
J.W. von Goethe, uit “Het lijden van de jonge Werther”:

Een prachtige lichtheid heeft mijn hele ziel in bezit genomen, net zoals die zachte lentemorgens waarvan ik met heel mijn hart geniet. Ik ben alleen en gelukkig met mijn leven in deze streek, die gemaakt lijkt voor een ziel als de mijne.
Wanneer dat mooie dal om mij heen opdampt, en de hoge zon blijft hangen boven de ondoordringbare duisternis van mijn bos en er slechts hier en daar een straal het innerlijke heiligdom binnensluipt, dan overvalt mij vaak een verlangen en denk ik: ach, kon je dit maar vastleggen. Kon je het papier maar bezielen met wat zo vol, zo warm in je leeft, zodat het een spiegel werd van je ziel, zoals jouw ziel een spiegel is van de oneindige God.
Maar ik ga eraan onderdoor, mijn vriend, ik bezwijk onder het geweld van de heerlijkheden die aan mijn ogen verschijnen.

F.G. Klopstock, uit de “Lenteydille”:

O lente, jij daalt neer in een zacht licht
en mijn hart opent met nieuwe gelukzaligheid,
hoe mooi is de aarde wanneer jij haar overstraalt,
wanneer elk veld leeft in jouw adem.
Ik zie je in een bries die door de bossen trekt,
ik hoor je in het ruisen van heldere bronnen.
Je bent niet alleen de tijd die telkens terug moet komen;
je bent het innerlijke licht van de wereld geworden.
O lente, hoe heft mijn ziel zich naar jou op,
hoe valt alle zwaarte van mijn gedachten af.
De schepping lijkt een nieuw ontwaakt lied te zijn, 
en alles in mij bezingt jouw stille wonder.

Zomer 
W. Raabe, uit “Het braakveld”:

De zon stond hoog aan de hemel en brandde neer op het eindeloze veld dat zich vlak en onbeweeglijk tot aan de horizon uitstrekte. Er hing geen zuchtje wind, en de lucht lag zwaar over het land, alsof zij zichzelf vergeten was.
De mensen bewogen zich langzaam door deze gloed, en hun voetstappen klonken gedempt, alsof ze niet werkelijk thuishoorden in deze overbelichte, verstarde wereld.
Boven de greppels en de uitgedroogde plekken trilde de hitte, en de vergezichten verloren hun heldere vorm, alsof ze in een aarzelende beweging oplosten.
Er gebeurde niets, en juist dat niets bezat een eigen gewicht dat zich over alles heen legde. Men wachtte, zonder te weten waarop, en toch was dat wachten in alles aanwezig: in de lucht, in het licht, in de onbeweeglijke aarde zelf.

F. Hebbel, “Zomerbeeld”

De laatste roos van de zomer stond daar
Het leek, alsof ze bloeien wou
Zo diep was zij in zich gekeerd
Alsof ze weldra sterven zou

De hemel echter, hing zo zwaar
En drukkend over de aren
En alles leek gedwongen te zijn
‘t Eigen einde te ontwaren.

Herfst
S. Mallarmé uit “Dwaalgedachten”:

De herfst brengt een zeldzamere helderheid met zich mee, alsof het licht zelf aarzelt voordat het op de dingen neervalt. Voorwerpen lijken hun scherpe contouren te verliezen, niet door duisternis, maar door een soort verfijning van de lucht.
Het lijkt wel alsof de wereld stiller wordt naarmate ze zichtbaarder wordt, en dat deze toegenomen zichtbaarheid op zich al een vorm van vervaging is.
Het denken zelf houdt zich in deze uren niet langer vast aan vaste vormen; het glijdt ertussen door, raakt ze lichtjes aan en wendt zich er zonder onderbreking van af, alsof elke zekerheid plotseling overbodig wordt.

P. Verlaine, “Ondergaande zonnen”

Het vale schemer glijdt
Over stille bronnen
De weemoedigheid
Van ondergaande zonnen

De weemoedigheid
Is haar lied begonnen
Mijn hart vergeet de tijd
Bij ondergaande zonnen

Vreemde dromen branden
Net zoals die zonnen
Die ondergaan aan stranden
Als rode spookballonnen
Die zonder aan te landen
Passeren in colonne
Als imposante zonnen
Die ondergaan aan stranden

Winter
J von Eichendorff, uit “Dagboek van een Nietsnut”:

Toen ik zo in gedachten voortliep, kwam ik door een grote tuin die geheel verlaten was. De sneeuw lag hoog op de bomen en hagen, en alles was zo stil alsof er niemand meer was op de hele wereld. Alleen af en toe viel er een grote klomp sneeuw van de takken, die daarbij zacht ritselden
Ik bleef staan en keek lang in die witte eenzaamheid; het kwam me voor alsof ik altijd zo zou moeten blijven lopen en nergens meer zou aankomen. Toen hoorde ik plotseling in de verte een viool, zo teer en wonderbaarlijk dat het mij door merg en been ging, en ik wist niet of ik wakker was of droomde.

F. Hölderlin, “Winter”

Het veld is kaal, op deze verre hoogte glanst
De blauwe hemel puur, en wie het wil doorkruisen
Ziet de natuur als eenheid, en de winden ruisen
Fris, en de natuur wordt slechts door helder licht omkranst.

Het uur van de aarde is te zien vanuit de hemel,
Gedurende de dag, door heldere nacht omgeven,
Als sterren weer verschijnen, hoog met hun gewemel,
En rijk van geest wordt dan het uitgestrekte leven.

vertaling: Jeroen Sarphati
  • OVER ONS
  • SEIZOEN 2026/2027
  • DONATIES
  • ARCHIEF